Kapitalisatie


Opnieuw uitspraak rente en inflatie - concept richtlijn LSR

Vandaag publiceerde Vogelaar Bosch Spijer Advocaten een nieuwsitem met daarin een nieuwe uitspraak over de rente en inflatie. Ook dit maal is deze gebaseerd op de conceptrichtlijn van de Letselschaderaad.

Het bericht luidt als volgt:


Op 25 september 2019 is door de rechtbank Midden-Nederland een baanbrekende beschikking gewezen. Deze beschikking gaat over het aan te houden rendement- en inflatie (kapitalisatie) bij de vaststelling van letselschade. In een uitgebreid gemotiveerde beschikking oordeelt de rechtbank dat in de aan hem voorgelegde zaak de volgende percentages aangehouden moeten worden bij de kapitalisatie van de letselschade:

KAPITALISATIE

Waarom deze uitspraak zo van belang is? Om dit te kunnen duiden is van belang dat veel letselschades worden afgewikkeld in een som ineens. Ook als het slachtoffer de schade nog vele jaren in de toekomst lijdt. Bij de afwikkeling van de letselschade wordt de toekomstige jaarschade daarom ‘gekapitaliseerd’. Om de totale schade te berekenen wordt de jaarschade die wordt geleden vermenigvuldigd met het te maken rendement en met de inflatie. Het rendement heeft een drukkend effect, de inflatie een verhogend effect op het totale bedrag.

Jarenlang was de kapitalisatie van letselschades een rustig bezit. De praktijk rekende met 6% rendement en 3% inflatie. Langjarig klopte dit aardig. Echter sinds enige jaren is er een nieuwe realiteit. De rendementen op sparen en (defensief) beleggen lopen terug. De meeste Nederlandse grootbanken bieden nu op hun vrij opneembare spaarrekening niet meer 0,1 of zelfs 0,01% rente.

Doordat de pot met geld in het begin het grootst is, het slachtoffer neemt immers ieder jaar de jaarschade op, is een tekort in rendement in het begin in de latere jaren bijna niet meer in te halen. Ook niet als de rente op dat moment stijgt. Komt het slachtoffer de eerste jaren 2% tekort aan rendement dan moet in jaar 10, door het geslonken kapitaal waarover het rendement wordt berekend, wellicht de rente zijn doorgestegen naar 12%. Dat zijn op korte termijn geen haalbare rendementen.

DE LETSELSCHADE RAAD

De discussie over het aan te houden rendement en de aan te houden inflatie bereikte ook de Letselschade Raad. Die heeft de werkgroep normering gevraagd om een concept richtlijn kapitalisatie op te stellen. Hier is de commissie meer dan twee jaar bezig geweest. Dit concept noemde de hierboven aangeduide rentepercentages. Helaas is deze conceptrichtlijn nooit omgezet naar een echte richtlijn. Dat is door verzekeraars geblokkeerd. Naar verluidt omdat zij deze percentages niet reëel, want te duur, vonden. Daarmee was het overleg in de polder – helaas – mislukt.

DE EERSTE UITSPRAAK – BESCHIKKING RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

In een uitspraak, uitgelokt door collega mr. Broeders, van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 9 juli 2019 werd geoordeeld:

"De in de conceptrichtlijn genoemde normpercentages met de toelichting van Bakker in zijn rapport van 14 januari 2019 zijn goed en inzichtelijk onderbouwd. Toepassing van de meergenoemde toetsingsmaatstaf op de berekening van de toekomstige schade die [verzoekster] lijdt, brengt gelet op het voorgaande mee dat op grond van de conceptrichtlijn zoals deze is toegelicht door Bakker, redelijkerwijs kan worden uitgegaan van de rente- en inflatieontwikkeling als genoemd in die richtlijn. Dat, zoals Goudse heeft betoogd, andere rechters zijn uitgegaan van andere rente- en inflatiepercentages bij de kapitalisatie van langlopende schades, kan aan het oordeel van de rechtbank niet afdoen, reeds nu het hier gaat om de berekening van schade over een andere periode (waarover een andere redelijke verwachting kan bestaan) en de rechtbank de in de door Goudse genoemde uitspraken genoemde deskundigenrapportages en het door partijen in verband daarmee gevoerde debat niet goed kan beoordelen."

De rechtbank verklaarde aldus voor recht dat bij de kapitalisatie van de schade van [verzoekster] overeenkomstig de conceptrichtlijn Rente en Inflatie van de Werkgroep Normering van De Letselschade Raad dient te worden uitgegaan van 1,3% rendement en 1,5% inflatie tijdens de eerste vijf jaren na kapitalisatiedatum, 2,2% rendement en 1,6% inflatie tijdens de daarop volgende vijftien jaren en vervolgens 3,6% rendement en 1,9% inflatie tijdens de daarop volgende jaren.

REACTIE VERZEKERAARS EN LETSELSCHADE RAAD

Hierop is, met name door verzekeraars en op hun verzoek ook door de Letselschade Raad gereageerd. Zo vond de Letselschade Raad het nodig om te benadrukken dat het een conceptrichtlijn was, zonder officiële status. Daarom was, aldus de Raad, de conceptrichtlijn geen officiële bron. Het is juist, en heeft ook nooit ter discussie gestaan dat het slechts een (door verzekeraars) geblokkeerde conceptrichtlijn was. Daarmee was het echter wel de meest recente expert opinion die voor handen was.

DE TWEEDE UITSPRAAK – BESCHIKKING RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND [NIEUW]

Ook in de zaak van één van onze cliënten speelden het rendement en de inflatie een rol. De uitgangspunten die de betreffende verzekeraar voorstond (om te beginnen zes procent rendement en drie procent inflatie) weken nogal sterk af van de door ons gekozen uitgangspunten. Wij zochten aanknoping bij de percentages in de conceptrichtlijn. Niet omdat wij ons gebonden achtte aan die richtlijn, integendeel, maar omdat dit de beste en meest recente expert-opinion was die voor handen was. Omdat een minnelijke oplossing niet tot de mogelijkheid behoorden is cliënte een deelgeschil gestart. In dat deelgeschil is op 25 september 2019 beschikking gewezen.

Over de eerdere beschikking

Uit de beschikking blijkt dat de deelgeschilrechter ambtshalve kennis had genomen van de eerdere uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Anders dan die rechtbank ontleend deze deelgeschilrechter geen argumenten aan de conceptrichtlijn van de Letselschade Raad. De deelgeschilrechter overweegt uitdrukkelijk dat hij uitsluitend overwegingen in zijn oordeel betrekt die zien op de uitgangspunten voor het normeren van die percentages. Hij buigt zich niet over argumenten die zien op een al dan niet bestaand of verondersteld draagvlak voor normering daarvan door de betrokken partijen in de letselschadepraktijk (rov. 2.15).

De inhoudelijke beoordeling

Vervolgens overweegt de deelgeschilrechter dat de situatie dat een rendement van 6% of meer niet of niet eenvoudig haalbaar is feitelijk al langer bestaat. Daar komt bij, zo overweegt de deelgeschilrechter, dat in de laatste 5 a 10 jaar het te behalen rendement op spaarrekeningen en/of obligaties is gedaald naar nu circa 0-1%. De laatste jaren overtreft het inflatiepercentage het door de particulieren te behalen rendement op spaarrekeningen en/of staatsobligaties. Anders dan de verwerende verzekeraar vindt de deelgeschilrechter het wel relevant dat verzekeraars in een convenant met het UWV een negatieve rekenrente overeenkwam. Voorts wijst de deelgeschilrechter op de in Groot-Brittanië wettelijk vastgestelde rekenrente. Dat rentepercentage is sinds kort -0,25%.

Wat in deze zaak nog meespeelde is dat het slachtoffer, vanwege de gevolgen van het ongeval, onder bewind staat. Dat betekent dat zij niet haar eigen financiën kan regelen. Dat doet een bewindvoerder voor haar. De rechtbank heeft een richtlijn opgesteld voor bewindvoerders. Daarin staat, kort gezegd, dat een bewindvoerder niet risicovol mag beleggen. Zelfs al zou de bewindvoerder dit willen, hetgeen niet zo is, dan nog zou hij dit niet mogen. Ook dat brengt mee dat de gevorderde rendement- en inflatiepercentages volgens de rechtbank reëel zijn.

Het oordeel

De rechtbank oordeelt vervolgens dat bij de berekening van de letselschade de hierboven genoemde percentages gelden. Deze percentages zijn gelijk aan de percentages die stonden in de conceptrichtlijn.

De percentages zijn dynamisch

Overigens merkt de deelgeschilrechter op dat de systematiek die  aan de berekening van deze percentages ten grondslag ligt in tijd dynamisch zijn. Dat brengt, aldus de deelgeschilrechter, mee dat als de schade van cliënte niet binnen een jaar nadat de beschikking is afgegeven is geregeld, partijen – met inachtneming van de achterliggende systematiek – opnieuw de betrokken percentages moeten vaststellen.

COMMENTAAR

Met deze beschikking in deelgeschil spreekt zich in korte tijd een tweede rechter uit over de aan te houden uitgangspunten bij de kapitalisatie van letselschades. Daar waar in het verleden 6% rendement en 3% inflatie gold, is dat heden ten dage niet meer verdedigbaar. Het is jammer dat in niet gelukt is om in de polder (De Letselschade Raad) tot een oplossing te komen. Het is echter goed om te zien als de onderhandelingen in de polder stokken dat slachtoffers altijd kunnen aankloppen bij de overheidsrechter.

Nu er twee verschillende rechters in korte tijd beiden tot het oordeel zijn gekomen dat vooralsnog de volgende aan te houden percentages reëel zijn:

rendement en inflatie

is dat wat mij betreft de nieuwe standaard. Daarbij is wat mij betreft de status van de conceptrichtlijn inderdaad buiten niet van belang. Die richtlijn heeft het immers helaas niet gehaald. Dat zij zo, maar in het vervolg wikkelen wij wat mij vooralsnog alle schades af op basis van deze – door de rechter vastgestelde – percentages. Daarmee hebben de slachtoffers in ieder geval een redelijke kans dat de door hen ontvangen schadevergoeding toereikend zal zijn om de jaarlijks de jaarschade aan het kapitaal te onttrekken.

Ook op de hoogte blijven?

Schrijf u in voor onze nieuwsbrief.