Kapitalisatie

Rente, inflatie, rekenrente

ECLI:NL:RBNHO:2020:9743 - 25 november 2020

3.7: [eiseres] vordert ter zake van de toekomstige schade een vergoeding van € 94.295,-. Voor de toe te passen rekenrente voor het berekenen van de toekomstige schade sluit [eiseres] aan bij de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 mei 2020 (ECLI:NL:RBDHA:2020:4169). Daarin wordt voor de periode van de eerste vijf jaar gerekend met 0% rente en 1,5% inflatie, voor de periode van 6-20 jaar met 1,3% rente en 2% inflatie en voor de periode langer dan 20 jaar met 2% rente en 2% inflatie.

[gedaagden] hebben in reactie daarop verklaard dat die uitgangspunten hen niet onredelijk voorkomen.

De rechtbank acht de percentages, zoals in voormelde uitspraak nader onderbouwd, ook voor deze zaak een realistisch uitgangspunt en zal de door [eiseres] in het geding gebrachte berekening daarom op dit punt volgen.


ECLI:NL:RBDHA:2020:4169 - 15 mei 2020

4.34: Het voorgaande betekent samengevat het volgende:

Periode
Rente
Inflatie
0-5 jaar
0%
1,5%
6-20 jaar
1,3%
2%
> 20 jaar
2%
2%


ECLI:NL:RBMNE:2020:2278 - 15 april 2020

2.24: Door de economische omstandigheden in de laatste jaren is het niet eenvoudig om de redelijke verwachtingen voor het rendement en de inflatie voor de toekomst te bepalen. De rechtbank overweegt dat - in lijn met de beschikking van 25 september 2019 van deze rechtbank ECLI:NL:RBMNE 2019:4559 - voor het begin van de looptijd (de eerste vijf jaar) aansluiting kan worden gezocht bij actuele statistische gegevens over rendement en inflatie zoals verzameld door het CPB en het CBS en voor de lange(re) termijn bij de Ultimate Forward Rate (UFR) voor de pensioenfondsen. Dat is een berekende risicovrije rente voor langjarige contracten, die is opgebouwd uit een schatting van de rekenrente en de verwachte inflatie voor de lange termijn. Verder acht de rechtbank het redelijk om, in lijn met de beschikking van 25 september 2019 een onderscheid te maken tussen de korte termijn (de eerste vijf jaar) de middellange termijn (5 tot 10 jaar) en de lange termijn (langer dan 20 jaar). In de genoemde beschikking resulteert dit in de volgende percentages: de eerste vijf jaar bedraagt de rente 1,3%, de daarop volgende vijftien jaar 2,2% en vanaf twintig jaar na kapitalisatiedatum 3,6% tot aan de einddatum. De inflatie bedraagt in diezelfde perioden respectievelijk 1,5%, 1,6% en 1,9%. Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld zich hierover bij akte uit te laten.


ECLI:NL:RBGEL:2019:4509 - 9 oktober 2019

3.39: Niet betwist is dat naar de huidige stand van zaken op korte termijn op een risico-arme of -vrije inleg/belegging geen rendement wordt gehaald dat hoger is dan de inflatie. Daarmee is een rekenrente van 0% gedurende een betrekkelijk korte periode van 5 jaar, zoals genoemd door [eisers] , met een geschat rendement en een geschatte inflatie van steeds 0%, niet irreëel. Met Generali neemt de rechtbank aan dat er bezien over een langere periode een middeling zal plaatsvinden van de, te verwachten maar verder niet concreet te voorspellen, schommelingen in de stand van de rente en de inflatie. Anders dan Generali kennelijk stelt, is dat echter geen reden om op die lange termijn uit te gaan van een te verwachten gemiddeld rendement van 6% en gemiddelde inflatie van 3%, enkel omdat die percentages in de letselschadepraktijk al jaren zou worden toegepast. De door Generali aangehaalde uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland zijn inmiddels ingehaald door latere uitspraken, van onder andere dezelfde rechtbank, waarin ook van die praktijk wordt afgestapt (zie o.m. ECLI:NL:RBZWB:2019:3178 en ECLI:NL:RBMNE:2019:4559). Geen punt van geschil is dat de afgelopen jaren, ook over langere termijn gemeten, het rendement van veilige beleggingen gemiddeld ver onder die 6% ligt. Dit volgt ook uit de ook door de DNB gehanteerde ‘Ultimate Forward Rate’ (UFR), waarop [eisers] haar genoemde lange-termijnrendement van 3,3% heeft gebaseerd. De UFR is immers, wat als algemeen bekend mag worden verondersteld, ook al jaren lager dan 6%. De UFR wordt berekend op basis van een 120-maands gemiddelde van de 20-jaars ‘forward rate’ en geeft, kort gezegd, aan wat, bezien over een periode van 10 jaar, het gemiddelde is van de marktverwachting van de rente op een termijn van 20 jaar. De rechtbank acht dit voor het berekenen van de rekenrente op een dergelijke lange termijn een beter uitgangspunt dan voornoemde, slechts op het gebruik in de letselschadepraktijk gestoelde 6%. Temeer nu de UFR thans eerder een duidelijk dalende dan een stijgende trend laat zien, acht de rechtbank het door [eisers] genoemde percentage van 3,3 % dat kennelijk is gebaseerd op de UFR van 2015, waartegen verder geen bezwaren zijn geuit, een redelijke verwachting en zal dit voor het bepalen van de rekenrente op de lange termijn als uitgangspunt nemen.

Dat [eisers] voor de verschuiving van het korte-termijnrendement van 0% naar het te verwachten rendement op lange termijn stappen van 5 tot 10 jaar hanteert, waartegen Generali geen concrete bezwaren heeft geuit, acht de rechtbank ook redelijk. Zij neemt dit eveneens over. Anders dan Generali stelt wijkt [eisers] daarbij niet voor Generali nadelig af van de door [eisers] aangehaalde stappen en percentages uit de publicatie van mr. Vermeulen. Ook tegen de door [eisers] genoemde inflatiepercentages heeft Generali, die zelf van een hogere inflatie uitgaat, geen concrete bezwaren geuit. De rechtbank neemt deze ook over.

De conclusie is dan dat als rekenrente over de verschillende periodes en de percentages van het rendement en de inflatie waarop deze is gebaseerd de in r.o. 3.37. genoemde cijfers van [eisers] worden overgenomen.


ECLI:NL:RBMNE:2019:4559 - 25 september 2019

2.12: [verzoekers] vindt dat bij de afwikkeling van de letselschade van [A] niet gerekend kan worden met de in de praktijk en de jurisprudentie in het verleden vaak gehanteerde “6-om-3 benadering”; een rendement van 6% en een inflatie van 3%. [verzoekers] vindt deze benadering niet reëel. Er moet volgens [verzoekers] worden uitgegaan van een risicovrij beleggingsprofiel. [verzoekers] vindt dat de percentages die genoemd zijn in het Concept van de Richtlijn Rente en Inflatie van De Letselschade Raad uit juli 2017 (productie 70 bij het verzoek, hierna: de conceptrichtlijn) beter aansluiten bij een risicovrij beleggingsprofiel en anders in ieder geval de percentages die vermeld zijn in de “Analyse en advies rekenrente” van 14 januari 2019 opgesteld door Ing. E.J. Bakker (productie 71 bij het verzoek, hierna: rapport Bakker ). [verzoekers] heeft zijn stellingen in dit kader onderbouwd met uitgebreide verwijzingen naar literatuur en jurisprudentie.

2.13: ASR vindt dat een rente van 6% en een inflatie van 3% ook in dit geval gehanteerd moet worden. Volgens ASR moet in ieder geval niet aangesloten worden bij de conceptrichtlijn en ook niet bij het advies van Bakker . De conceptrichtlijn is nooit in werking getreden en kan alleen al daarom niet als uitgangspunt gelden. Het advies van Bakker is voor een belangrijk deel gebaseerd op de conceptrichtlijn en is daarom ook niet bruikbaar. ASR heeft haar standpunt onderbouwd met een advies van 3 juli 2019 van H. Tiemersma , Senior Rekenkundig Expert Personenschade verbonden aan Sedgwick (productie 1 bij het verweer, hierna: rapport Tiemersma ). Subsidiair stelt ASR zich op het standpunt dat de door Tiemersma in zijn rapport genoemde percentages rekenrente van respectievelijk 2 voor de periode tot 2033 en 3 voor de periode daarna gevolgd moeten worden.

2.15: De deelgeschilrechter is er ambtshalve mee bekend dat de rechtbank Zeeland-West Brabant op 9 juli 2019 (ECLI:NL:RBZWB:2019:3178) een uitspraak heeft gedaan - ook in deelgeschil - over het onderwerp rekenrente. In deze uitspraak wordt ingegaan op een aantal aspecten van de hiervoor genoemde conceptrichtlijn. Deze uitspraak heeft geleid tot een reactie van de Letselschaderaad op haar website waarin aangegeven wordt dat het niet de bedoeling is dat een conceptversie van een in ontwikkeling zijnde richtlijn als een officiële bron wordt gehanteerd. De deelgeschilrechter zal in de hierna volgende overwegingen over de in deze zaak te hanteren rente- en inflatiepercentages uitsluitend overwegingen betrekken die zien op de uitgangspunten voor het normeren van die percentages en geen argumenten die zien op een al dan niet bestaand of verondersteld draagvlak voor normering daarvan door de betrokken partijen in de letselschadepraktijk.

3.2: bepaalt dat, als [verzoekers] ervoor kiest om het verlies van arbeidsvermogen in één termijn af te wikkelen, de rente de eerste vijf jaar 1,3% bedraagt, de daarop volgende vijftien jaar 2,2% en vanaf twintig jaar na kapitalisatiedatum 3,6% tot aan de einddatum en dat de inflatie in diezelfde perioden respectievelijk 1,5%, 1,6% en 1,9% bedraagt.


ECLI:NL:RBZWB:2019:3178 - 9 juli 2019

4.12: De in de conceptrichtlijn genoemde normpercentages met de toelichting van Bakker in zijn rapport van 14 januari 2019 zijn goed en inzichtelijk onderbouwd. Toepassing van de meergenoemde toetsingsmaatstaf op de berekening van de toekomstige schade die [verzoekster] lijdt, brengt gelet op het voorgaande mee dat op grond van de conceptrichtlijn zoals deze is toegelicht door Bakker, redelijkerwijs kan worden uitgegaan van de rente- en inflatieontwikkeling als genoemd in die richtlijn. Dat, zoals Goudse heeft betoogd, andere rechters zijn uitgegaan van andere rente- en inflatiepercentages bij de kapitalisatie van langlopende schades, kan aan het oordeel van de rechtbank niet afdoen, reeds nu het hier gaat om de berekening van schade over een andere periode (waarover een andere redelijke verwachting kan bestaan) en de rechtbank de in de door Goudse genoemde uitspraken genoemde deskundigenrapportages en het door partijen in verband daarmee gevoerde debat niet goed kan beoordelen.

Het verzoek van [verzoekster] om voor recht te verklaren dat bij de berekening van haar toekomstige schade moet worden uitgegaan van de in de conceptrichtlijn genoemde rente- en inflatiepercentages zal worden toegewezen.


ECLI:NL:GHARL:2015:2350 - 31 maart 2015

7.12: Het hof stelt vast dat partijen het eens zijn over de rekenrente vanaf 1 januari 2018. Het verschil betreft de rekenrente tot die datum, zodat de vraag centraal staat of ook voor de korte termijn (maximaal drie jaar) een rekenrente van 3% dient te worden gehanteerd. Bij het antwoord op die vraag stelt het hof voorop dat in de letselschadepraktijk al jaren lang een rekenrente van 3% (6% rendement en 3% inflatie) wordt toegepast, althans bij de berekening van schades met een lange looptijd. Dit percentage wordt in de literatuur wel ter discussie gesteld en ook in de feitenrechtspraak zijn voorbeelden te vinden van een lager percentage. Wat daar ook van zij, naar het oordeel van het hof sluit een rekenrente van 3% voor de periode tot 1 januari 2018 niet aan bij de huidige ontwikkelingen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat uit gegevens over de ontwikkeling van het rendement van een 10-jarige staatslening vanaf 2000 tot en met 2013 (te vinden in een artikel van J. Tiemersma in VR 2013, nr. 67) volgt dat het gemiddeld rendement 4,1% heeft bedragen. In die periode bedroeg de inflatie gemiddeld 2%. Daargelaten of dit rendement een juist uitgangspunt is voor het beleggingsresultaat van een particulier (vgl. de kritiek van R.M.J.T. van Dort in TVP 2014 nr. 1, blz. 16 e.v.), voor de korte termijn ligt het voor de hand aansluiting te zoeken bij de spaarrente op een spaarrekening, eventueel een spaardeposito. Die rente bedraagt maximaal 1,5% (bij een deposito). Gelet op de huidige inflatie (in 2014 volgens algemeen kenbare gegevens van het CBS 1%, waarbij sprake is van een dalende tendens, die zich in 2015 heeft voortgezet) ligt een inflatiepercentage van 0,5% voor de hand. Bij een rendement van 1,5% en een inflatie van 0,5% komt het hof voor de periode tot 1 januari 2018 uit op een rekenrente van 1%.


Ook op de hoogte blijven?

Schrijf u in voor onze nieuwsbrief.