Kapitalisatie

Niet geregistreerde inkomsten

ECLI:NL:RBGEL:2020:6628 - 16 december 2020

4.3. Univé heeft primair als verweer gevoerd dat het eventuele gemis van ‘zwarte’ inkomsten niet als vergoedbare schade kan gelden. Dit verweer slaagt niet. Overeenkomstig het uitgangspunt voor de berekening van de omvang van een wettelijke verplichting tot vergoeding van schade moet [eiser] zoveel mogelijk in de toestand worden gebracht waarin zij zou hebben verkeerd als de schadeveroorzakende gebeurtenis zou zijn uitgebleven. De werkelijke situatie waarin [eiser] verkeert, dus in dit geval: met ongeval, moet worden afgezet tegen de hypothetische situatie waarin [eiser] zich (vermoedelijk) zou hebben bevonden als het ongeval niet zou hebben plaatsgevonden. Het verschil tussen beide situaties, uitgedrukt in geld, is haar schade. Gemiste inkomsten uit betaald werk vormen het zogenoemde verlies aan verdienvermogen. Gemiste ‘zwarte’ verdiensten uit betaald werk kwalificeren in dat opzicht net als gemiste ‘witte’ verdiensten als vermogensschade in de zin van artikel 6:96 BW. De bestendige lijn in de jurisprudentie is dan ook dat gederfde inkomsten uit niet fiscaal-geregistreerde werkzaamheden in beginsel voor vergoeding in aanmerking komen. Niet valt in te zien waarom daar in deze zaak een uitzondering op moet worden gemaakt. Het is verre van ongebruikelijk dat de door [eiser] beweerdelijk verrichte werkzaamheden ‘zwart’ worden verricht. De stelling van Univé dat het maatschappelijk onaanvaardbaar is om [eiser] voor het eventuele verlies aan ‘zwarte’ inkomsten te compenseren, wordt dan ook niet gevolgd.


ECLI:HR:2000:AA8453 - 24 november 2000

3.3 Onderdeel 2 van het middel komt op tegen rov. 2.3.2 van het tussenvonnis van 18 augustus 1998, voor zover de Rechtbank daarin het standpunt van [eiseres], weergegeven in die rechtsoverweging onder a, van de hand heeft gewezen. Dit standpunt komt hierop neer dat [verweerder] voor het overwerk bij [eiseres] en voor zijn nevenwerkzaamheden bij de bakkerij "zwart" werd betaald en dat hiermee rekening moet worden gehouden in dier voege dat de contant door [verweerder] ontvangen bedragen niet moeten worden aangemerkt als na inhouding van belasting en premie ontvangen netto-loon, maar als brutoloon waarover belasting en premie verschuldigd zijn. De Rechtbank heeft dat standpunt verworpen met de overweging "dat het gaat om de schade die [verweerder] daadwerkelijk lijdt".

Voor zover in die overweging het oordeel besloten ligt dat het geen verschil maakt of over het aan [verweerder] voor die werkzaamheden toekomende loon al dan niet belasting en premie zijn ingehouden en afgedragen, kan dit oordeel in zijn algemeenheid niet als juist worden aanvaard. Evenmin is in zijn algemeenheid juist het primair door het onderdeel verdedigde standpunt dat ten behoeve van de schadeberekening de vroeger ontvangen inkomsten uit overwerk en nevenwerkzaamheden altijd "als bruto-bedragen vóór belasting" moeten worden aangemerkt.

De rechter die de omvang van de schade als de onderhavige begroot, zal aan de hand van de beschikbare gegevens moeten vaststellen en eventueel moeten schatten welk netto-inkomen de gelaedeerde zou hebben genoten of zou hebben kunnen genieten indien ter zake van de beloning van de desbetreffende werkzaamheden zou zijn overeengekomen dat belasting en premie zouden worden ingehouden. Er is slechts voldoende grond om bij de begroting van de schade uit te gaan van de veronderstelling dat het zonder inhouding van belasting en premie betaalde loon gelijk is aan het bedrag dat bij inhouding van belasting en premie zou zijn betaald, indien en voor zover aannemelijk is dat degene voor wie de gelaedeerde "zwart" werkte, bereid was geweest c.q. bereid zou zijn gebleven (alsnog) de verschuldigde belasting en premie volledig voor zijn rekening te nemen.

Ook op de hoogte blijven?

Schrijf u in voor onze nieuwsbrief.