Kapitalisatie

Overlijdensschade

Op grond van 6:108 BW kunnen nabestaanden twee schadeposten vorderen, te weten gederfd levensonderhoud (lid 1) en kosten lijkbezorging (lidd 2). Niet iedereen kan de post gederfd levensonderhoud vorderen; degene die hiervoor in aanmerking kunnen komen zijn opgesomd in lid 1 onder sub a t/m d.

De vorderingsgerechtigden 

sub a: Echtgenoot (niet gescheiden), geregistreerd partner en minderjarige kinderen
Het vorderingsrecht strekt tot ten minste het bedrag van het krachtens de wet verschuldigde levensonderhoud.
Minimaal zouden deze nabestaanden een vordering hebben, afgeleid van het minimumloon. Het levensonderhoud behoeft op het moment van overlijden nog niet feitelijk verstrekt te zijn, men mag rekening houden met toekomstige te verwachten ontwikkelingen (postuum kind).

sub b: Andere bloed- of aanverwanten:
Hieronder worden verstaan: ouders, grootouders, kleinkinderen, meerderjarige kinderen, stiefkinderen, schoonkinderen, broers en zusters.
Hier geldt wel dat er vóór het overlijden sprake moet zijn van een (geheel of ten dele) levensonderhoud door de overledene.

sub c: In gezinsverband samenwonenden met de overledene:
Hier is het criterium dat de overledene de nabestaanden geheel of voor een groot deel onderhield.

sub d: In gezinsverband samenwonenden met de overledene:
Hier geldt dat de overledene de nabestaanden onderhield door het doen van de gemeenschappelijke huishouding en na het overlijden op andere wijze in moet worden voorzien. Kortgezegd: het levensonderhoud in natura. 

Als een jong kind overlijdt zal er meestal geen levensonderhoud worden gederfd. Afhankelijk van de leeftijd kan aan een vordering sub d worden ingesteld.

Buiten deze vorderingsgerechtigden heeft niemand enige aanspraak.
Voorbeeld: al dreef de onderneming op een firmant, die overleden is, er is geen vorderingsrecht.

Ook op de hoogte blijven?

Schrijf u in voor onze nieuwsbrief.