Overlijdensschade

ECLI:NL:RBOVE:2020:3678 - 6 november 2020 (Enschedese kwartetmoord)

Wat betreft de gevorderde gederfde inkomsten stelt de officier van justitie zich primair op het standpunt dat deze toewijsbaar zijn daar waar het rapport Laumen als basis is gekozen. Subsidiair, als nadere bestudering van die rapporten in verband met de grote verschillen tussen de gevorderde bedragen, een onevenredige belasting van het strafproces zou zijn, om het bedrag te schatten op € 75.000,-- per achterblijvend lid van een huishouden waar een slachtoffer deel van uitmaakte.

[...]

Dit resulteert in het verzoek om de vorderingen toe te wijzen als hieronder weergegeven, alsmede het verzoek om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen:

-[benadeelde 7] : reiskosten, gederfd levensonderhoud, shockschade, kosten rapport Laumen ;

-[benadeelde 3] : gederfd levensonderhoud, as-ring, shockschade, kosten rapport Laumen ;

-[benadeelde 2] : reiskosten, uitvaartkosten, shockschade;

-[benadeelde 14] : uitvaartkosten, shockschade;

-[benadeelde 13] (moeder): shockschade;

-[benadeelde 8] : gederfd levensonderhoud, shockschade;

-[benadeelde 1] : gederfd levensonderhoud schatten, uitvaartkosten, shockschade, reiskosten schatten;

-[benadeelde 16] : gederfd levensonderhoud, shockschade, kosten rapport Laumen , kosten rechtsbijstand;

-[benadeelde 17] en [benadeelde 6] : gederfd levensonderhoud, kosten rapport Laumen , kosten rechtsbijstand;

-[benadeelde 4] : uitvaartkosten, kosten rechtsbijstand.

De vorderingen van [benadeelde 10] (broer), [benadeelde 11] (broer) en [benadeelde 12] (zus) [slachtoffer 3] en de vordering van [slachtoffer 1] zouden door de rechtbank moeten worden afgewezen.

De vordering van de minderjarige [benadeelde 9] zou in het geheel niet-ontvankelijk verklaard moeten worden. Dat geldt ook voor de vordering van [benadeelde 15].


ECLI:NL:GHARL:2018:5512 - 15 juni 2018

[benadeelde 1] (bijgestaan door mr. Heblij) heeft zich in eerste aanleg als benadeelde partij in het strafproces gevoegd en vordert namens zichzelf een bedrag van € 135.671,- en namens zijn minderjarige dochters [benadeelde 2] en [benadeelde 3] een bedrag van respectievelijk € 29.808,- en € 36.889,-. De vorderingen zijn bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

De benadeelde partijen vorderen een voorschot op gederfd levensonderhoud als bedoeld in artikel 6:108, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. Voor de berekening van de gevorderde schade is aangesloten bij de door de Letselschaderaad en de Denktank Overlijdensschade opgestelde Richtlijn Rekenmodel Overlijdensschade.

[...]

De door de Denktank Overlijdensschade opgestelde Richtlijn Rekenmodel Overlijdensschade is een binnen de rechtspraak algemeen geaccepteerde rekenmethode voor de berekening van overlijdensschade. Anders dan door de raadsman is gesteld kan deze rekenmethode dan ook worden gebruikt voor de berekening van de geleden schade.

[...]

Uit het dossier blijkt dat [benadeelde 1] op grond van een op naam van het slachtoffer gestelde ongevallenverzekering als begunstigde een uitkering heeft ontvangen van (netto) € 37.983,31 (exclusief de post “Uitvaartkosten”). Dit bedrag van € 37.983,31 is door de benadeelde partij niet betrokken bij de berekening van de gevorderde schadevergoeding. Ter terechtzitting is toegelicht dat het bedrag strekt tot vergoeding van immateriële schade en dat voor de hoogte van het bedrag is aangeknoopt bij het bedrag van 40.000 euro dat bij wijze van shockschade door de rechtbank Noord-Nederland is toegewezen van de vader van Marianne Vaatstra. In verband met de omstandigheden dat het bij weten van het hof niet algemeen aanvaard is dat uitkering uit een ongevallenverzekering strekt tot vergoeding van immateriële schade, dat bij overlijden thans voor nabestaanden geen recht bestaat op vergoeding van immateriële schade, dat niet zonder meer duidelijk is dat voor de hoogte zou moeten worden aangeknoopt bij een geval van shockschade, dat door de benadeelde partij te kennen is gegeven te overwegen een vordering aanhangig te maken bij de civiele rechter voor vergoeding van shockschade en de vordering door de verdediging wordt betwist, is het hof van oordeel dat bij de beoordeling van de vordering in zoverre sprake is van een onevenredige belasting van het strafgeding. Derhalve is het hof van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] kan worden toegewezen tot een bedrag van € 97.687,69 (€ 135.671,- minus € 37.983,31). Het hof is van oordeel dat de behandeling van het overige deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Daarom kan de benadeelde partij thans in zoverre in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij dit deel van haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De vordering van [benadeelde 2] zal tot een bedrag van € 29.808,- worden toegewezen en de vordering van [benadeelde 3] tot een bedrag van € 36.889,-.


ECLI:NL:RBAMS:2018:2986 - 4 mei 2018 (Metro 53)

r.o. 8.1.4: [...]  Ten aanzien van [benadeelde partij 1] overweegt de rechtbank het volgende.

Op basis van de berekening van de schade die namens de benadeelde partij in het geding is gebracht, de inkomsten uit arbeid van haar overleden partner en de leeftijd van beiden ten tijde van het bewezen verklaarde, acht de rechtbank het, schattenderwijs, aannemelijk dat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] in elk geval voor een bedrag van € 25.000,00 aan schade wegens gederfd levensonderhoud lijdt.

Ten aanzien van de vordering van de minderjarige [benadeelde partij 2] gaat de rechtbank er ook van uit dat enige schade is geleden zoals genoemd in artikel 6:108 BW. Dit oordeel gebaseerd op de berekening van deze schade die namens de benadeelde partij [benadeelde partij 2] in het geding is gebracht en waaruit de schade van de benadeelde partij is afgeleid. Onder meer gelet op de inkomens uit arbeid van zijn overleden vader en de leeftijd van de benadeelde partij en zijn ouders ten tijde van het bewezen verklaarde, acht de rechtbank het, schattenderwijs, aannemelijk dat de benadeelde partij in elk geval voor een bedrag van € 5.000,00 aan schade wegens gederfd levensonderhoud lijdt.


ECLI:NL:GHARL:2018:2416 - 15 maart 2018 (Posbank-zaak)

De benadeelde partij [vrouw slachtoffer] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 204.776,39. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 118.292,34.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. Anders dan de rechtbank heeft gedaan, merkt het hof het onder onderdeel E gevorderde bedrag van € 5.999,39, zoals vermeld op de factuur van [expertisebureau] van 16 mei 2017, als een vordering tot vergoeding van proceskosten aan. Ook het gevorderde bedrag van € 2.930,56, zoals vermeld op de factuur van [expertisebureau] van 20 februari 2018, zal het hof als vordering tot vergoeding van proceskosten aanmerken. In totaal bedraagt de vordering tot vergoeding van gemaakte proceskosten derhalve € 8.929,95.


ECLI:NL:GHSHE:2018:421 - 5 februari 2018

[benadeelde 3] en [benadeelde 4] hebben zich, vertegenwoordigd door hun wettelijke vertegenwoordiger, de stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant te Tilburg, in eerste aanleg als benadeelde partijen in het strafproces gevoegd en een gezamenlijke vordering ingediend, strekkende tot vergoeding van materiële schade ten bedrage van € 264.171,24,

te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 11 maart 2016 en de kosten van rechtsbijstand ten bedrage van € 4.000,00 (2 punten à € 2.000,00). De gevorderde hoofdsom bestaat uit gederfd levensonderhoud tot een totaalbedrag van € 260.170,58 en buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 4.000,66.

[...]

De omvang van het door de benadeelde partijen [3 en 4] gederfde levensonderhoud is berekend door het rekenkundig adviesbureau Laumen Expertise en door haar gemotiveerd onderbouwd in haar rapport van 22 februari 2016. Uit dit rapport volgt dat bij de berekening van het gederfde levensonderhoud gebruik is gemaakt van standaardbedragen van het NIBUD en dat bij de vaststelling van de schade steeds is uitgegaan van minimale bedragen.

Weliswaar blijkt uit het rapport ook dat er in voorkomende gevallen is uitgegaan van veronderstellingen - daaraan valt gezien de aard van de schade niet te ontkomen - maar die zijn naar het oordeel van het hof helder en duidelijk geformuleerd. Voorts blijkt uit het rapport dat bepaalde keuzes zijn gemaakt onder referte naar jurisprudentie en dat in gevallen waarin ook maar enige twijfel mogelijk was, gekozen is voor de voor de verdachte meest gunstige variant. Het hof zal daarom uitgaan van de berekeningen in het rapport. Anders dan door de raadsman van de verdachte betoogd, levert de behandeling van de vordering naar het oordeel van het hof geen onevenredige belasting van het strafproces op. Evenmin ziet het hof aanleiding de vordering te verwijzen naar de civiele rechter voor het vaststellen van de omvang van de schade in het kader van een schadestaatprocedure.


ECLI:BL:RBAMS:2017:4718 - 5 juli 2017

De benadeelde partij [Benadeelde partij] vordert € 180.623,- aan gederfd levensonderhoud en € 20.000, - aan affectieschade. Ten aanzien van beide posten is verzocht deze toe te wijzen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade. Voorts is de vergoeding van de kosten van het rekenrapport betreffende het gederfd levensonderhoud verzocht.

[...]

In zoverre maakt de rechtbank dan ook gebruik van haar bevoegdheid om de schade in redelijkheid te begroten en zal, uitgaande van de berekening van de totale zorgkosten, een bedrag toe wijzen dat gelijk staat aan vijf jaar een en ander als berekend in het rapport van de rekenkundige [naam rekenkundige] . Voor het vaststellen van de schade over een langere periode zijn naar het oordeel van de rechtbank te veel factoren die van invloed (kunnen) zijn op de hoogte van het vast te stellen bedrag zoals de aard en duur van een eventuele opleiding, de daaraan verbonden kosten, en / of veranderde gezinssamenstelling en inkomen van de verzorgende ouder. Dit betekent dat een bedrag van € 24.808,- aan gederfd levensonderhoud wordt toegewezen. De kosten voor het laten opstellen van het rekenrapport ad € 1.874,54 zullen eveneens worden toegewezen. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.


ECLI:NL:RBGEL:2017:3030 - 7 juni 2017 (Posbank-zaak)

[...] De benadeelde partijen hebben zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van de bewezenverklaarde feiten.

De vorderingen zijn onderverdeeld in vijf onderdelen: A (overlijdensschade; gederfd levensonderhoud), B (overige kosten, zijnde kosten die met name betrekking hebben op de uitvaart, afwikkeling van de nalatenschap, kinderopvang, therapie, reiskosten en huishoudelijke hulp), C (affectieschade), D (de door studievertraging opgelopen schade) en E (kosten voor het opstellen van de schadeberekening door het rekenbureau en forfaitaire telefoonkosten).

[...]

Onderdeel A

Ten aanzien van dit onderdeel, het gederfde levensonderhoud, ligt aan de vorderingen een overlijdensschadeberekening ten grondslag van [naam 4] van 15 mei 2017.

De door [naam 4] gemaakte overlijdensschadeberekening is als gezinsschade berekend. Dit betekent dat de totale schade op dit vlak dient te worden toegewezen aan de achtergebleven ouder, in dit geval [benadeelde 1] . Haar komt in beginsel een vorderingsrecht ex artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek toe. Er was immers sprake van een gezamenlijke huishouding en na het overlijden van [slachtoffer] heeft zij het huishouden voortgezet, in het onderhoud van de kinderen voorzien en daardoor deze schade geleden. Gelet hierop zal de rechtbank de benadeelde partijen [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] ten aanzien van onderdeel A niet-ontvankelijk in de vorderingen verklaren. Ten aanzien van de vordering van [benadeelde 1] maakt de rechtbank gebruik van haar schattingsbevoegdheid om de hoogte van het toe te kennen bedrag vast te stellen. Uit de overgelegde stukken is in ieder geval voldoende komen vast te staan, dat is ook niet betwist, dat er sprake is van gederfd levensonderhoud. Over het exacte bedrag is discussie mogelijk. Maar naar schatting van de rechtbank zal in ieder geval voor een bedrag van minimaal € 100.000,00 schade zijn geleden. Dat bedrag zal aan [benadeelde 1] worden toegewezen. De benadeelde partij zal voor het overige deel van haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat de behandeling van dit onderdeel verder naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Ten aanzien van het toegewezen bedrag van € 100.000,00 met betrekking tot onderdeel A zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf 22 maart 2010. Deze datum ligt in het midden tussen 20 januari 2003, de datum van overlijden van [slachtoffer] , en 24 mei 2017, de datum waarop de vordering is ingediend. De rechtbank heeft hiervoor gekozen omdat gedurende deze periode de kosten, veelal van dezelfde soort, zijn ontstaan en niet ten aanzien van alle kosten is te achterhalen wanneer de schade in de genoemde periode precies is ontstaan (wanneer de facturen zijn betaald).

Ook op de hoogte blijven?

Schrijf u in voor onze nieuwsbrief.