
T 0318- 629 429
F 0318- 656 860
E info@laumenreo.nl
KVK : 09139625
CBP-registratie: m1234975
Leveringsvoorwaarden

Inleiding actuarieel rekenen bij personenschade
Verlies verdienvermogen zonder ongeval
Verlies verdienvermogen na ongeval
Kapitalisatie
Rente, inflatie, rekenrente
Belastingschade
Fiscale traject
Consumptief traject
De rekenkundige
Kapitalisatie.
Welk bedrag moet nu weggezet worden om, rekening houdend met rente, inflatie en sterftekans, benadeelde ieder jaar het verlies aan arbeidsvermogen te compenseren? Dit is de vraag die gesteld wordt bij kapitaliseren. Door de bank genomen wordt aan rente 6% en aan inflatie 3% meegenomen, dit zijn langjarig gewogen gemiddelden. Er kunnen ook andere percentages gehanteerd worden.
Inflatie zorgt ervoor dat geld in waarde
afneemt. Om in de toekomst aan waarde hetzelfde
bedrag in handen te hebben als het bedrag
dat op peil van het kapitalisatiejaar is
berekend moet de invloed van de inflatie
bepaald worden. Dit kan als volgt berekend
worden:
Bedrag van ieder jaar afzonderlijk vermenigvuldigen
met (1+inflatie)^ aantal jaren looptijd.
Vb: € 1000 onder invloed van inflatie
over 5 jaar: € 1.000 x (1+0,03)^5=
€ 1.159,27. M.a.w. de benadeelde
dient over 5 jaar € 1.159,27 te hebben
om hetzelfde te kunnen kopen als voor €
1.000 heden ten dage.
Rente zorgt ervoor dat een kapitaal aanwast
in de loop der tijd. Eigenlijk betaalt de
instantie waar het geld wordt bewaard, meestal
de bank of de beleggingsinstelling, mee
aan het totale kapitaal dat nodig is om
het verlies verdienvermogen te compenseren.
Dit kan als volgt berekend worden: Bedrag
delen door (1+rente)^aantal jaren looptijd
Vb: om € 1.000 over 5 jaar te hebben
moet nu € 1.000 / (1+0,06)^5 = €
747,26 weggezet worden.
Als laatste dient de invloed van de sterftekans bepaald te worden. Aan de hand van de tabel van Makeham wordt berekend wat de kans is dat iemand over bijv. 5 jaar nog in leven is. Deze kans dient berekend te worden ten opzichte van het jaar van kapitalisatie.
De totale kapitalisatiefactor is (1+inflatie)^n x sterftekans / (1+rente)^n , waarbij n het aantal jaren in de toekomst aangeeft. Zo kan voor ieder jaar apart het bedrag berekend worden dat op datum kapitalisatie betaald zou moeten worden om het verlies van dat jaar te compenseren. Tellen we al deze aparte bedragen bij elkaar op, dan hebben wij het totale verlies verdienvermogen.
Factorbepaling
Er wordt gebruik gemaakt van de afgeronde sterftequotiënten mannen vlgs. Makeham, CBS 1995-2000.
| Kapitalisatiedatum: 01 januari 2001 | ||||||
| lft | levenden | sterftekans | infl. | rentecorr | corr. fac. | jaar |
| correctie | 3% | 6% | incl. sterfte | |||
| 29 | 9.882.815 | |||||
| 30 | 9.874.907 | 1,0000000 | 2000 | |||
| 31 | 9.866.583 | 0,9991571 | 1,0300 | 1,0600 | 0,9709 | 2001 |
| 32 | 9.857.793 | 0,9982669 | 1,0609 | 1,1236 | 0,9426 | 2002 |
De sterftekans voor 31-jarige leeftijd
wordt als volgt berekend: 9.866.583/9.874.907
= 0,9991571
De sterftekans voor 32-jarige leeftijd is
dan: 9.857.793/9.874.907 = 0,9982669
De kapitalisatiefactor (1+inflatie)^n x
sterftekans / (1+rente)^n is dan op 32-jarige
leeftijd :
(1+0,03)^2 x 0,9982669 / (1+0,06)^2 = 0,9426.
Berekening van het gekapitaliseerde verlies:
| corr. fac. incl. sterfte |
inkomen zonder ongeval | inkomen na ongeval | verlies | jaar | gekap. verlies |
| € 17.063 | € 13.071 | € 3.991 | 2000 | € 3.991 | |
| 0,9709 | € 18.037 | € 13.514 | € 4.523 | 2001 | € 4.391 |
Het verlies per jaar wordt vermenigvuldigd met de kapitalisatiefactor van het betreffende jaar. Dit levert het gekapitaliseerde bedrag, het bedrag dat heden weggezet dient te worden, van dat jaar op.